In 2013 kwam Museum Boijmans van Beuningen met de vraag om de collectie op taal- en rekenkundige principes te onderzoeken. Deze vraag kwam voort uit de behoefte om de betekenis van het museum voor het onderwijs te vergroten. Hier begon de zoektocht naar de overeenkomsten tussen kunst en onderwijs.

Boijmans Taal- en Rekenprogramma

Het Boijmans taal- en rekenprogramma was een driejarige samenwerking tussen Museum Boijmans Van Beuningen, de Fridtjof Nansenschool in Rotterdam en OBS De Taaltuin in Schiedam.

In zes maanden tijd werden schilderijen en beelden geordend en bezoekers geobserveerd. Onmetelijke afstanden langs eindeloze muren wekten euforie en wanhoop, want de rijkdom aan materiaal was zowel indrukwekkend als intimiderend.

Langzaam, heel langzaam kwamen letters en cijfers naast, achter en in de kunstwerken tevoorschijn. Het formaat en de plaats van een beeld vertelden niet alleen over de ruimte, maar ook over de onzichtbare restruimte er omheen. Taal en rekenen wonnen ineens zoveel meer aan glans, als ze langs de lijst van een schilderij of de sokkel van een beeld werden gehouden.

In drie jaar tijd onderzochten we waar taal en rekenen precies verstopt zaten in een kunstwerk. We maakten lessen, gaven deze en evalueerden ze. We vonden veel overeenkomsten. Aan alle schilderijen en beelden kon je rekenen. Maar je kon er ook geschiedenis en aardrijkskundelessen mee geven. De mooiste lessen waren de taallessen, waarin je over tijd en ruimte kon filosoferen en ontdekken dat er niet één waarheid is.

In drie jaar tijd vervaagde de grens tussen school en museum, de klas liep door in zalen vol kunstwerken. Werken die in de klas van alle kanten waren bekeken en onderzocht. Werken waarvan geheimen met grote verwondering werden blootgelegd met behulp van taal en rekenen. Hoe groot is dat schilderij eigenlijk als het nu in de klas zou hangen? Wayoww, zo groot? En hoe kan het dat dit kunstwerk rechtop blijft staan? Hoe kan iets rond lijken terwijl het op een plat oppervlak is geschilderd? Relevante vragen die hun oorsprong vinden in het curriculum van school.

In drie jaar tijd vervaagde ook de grens tussen het museum en de school. Gewapend met voorkennis en zelfvertrouwen trokken kleuters en grote kinderen het museum in op zoek naar hún kunstwerken. Ze hadden leren kijken en analyseren en waren niet bang om vanuit zichzelf vragen te stellen of dingen te duiden. Educatieprogramma’s werden aangepast op de nieuwe aanpak. Meetkunde werd een actief onderdeel van de lessen. Hoe groot iets was kon meteen op zaal worden onderzocht door om werken heen te lopen en stappen te tellen. Perspectief en kleur werden aan de hand van proefjes getoetst aan de werkelijkheid en mooi en lelijk werden van binnenuit omschreven en gaven de collectie persoonlijke betekenis.

Voor museumdocenten betekende deze aanpak dat ze niet alleen moesten kunnen vertellen, maar vooral ook heel goed luisteren. Hun kennis kon een gesprek verrijken, maar was niet bepalend voor de kwaliteit ervan.

Lees meer over het programma op de site van Boijmans.

Het Boijmans Taal- en Rekenprogramma is landelijk bekend en het boek dat naar aanleiding van het programma is verschenen, wordt op veel scholen als inspiratiebron voor kunstonderwijs gebruikt.